Boekbespreking: Kinderen van de Beeldenstorm, Wido Bourel.

Auteur: d’Ypres Debrouckelaere


Boekbespreking van: Wido Bourel, Kinderen van de Beeldenstorm; Tien bekende, beruchte of vergeten Zuid-Nederlanders in de geuzentijd, s.l. [uitgeverij iD], 2016.

Een vlot leesbare kennismaking met een negental calvinisten en een katholieke geestelijke uit de 16de en 17de eeuwse zuid-westelijke Nederlanden. In deze regionen begon de beeldenstorm in het toenmalige Spaanse koninkrijk. Deze ‘storm’ was overigens de laatste in de reeks die al vanaf de jaren 1520 over Europa ging. Het is niet zozeer de beeldenstorm die de auteur interesseert, als wel de biografieën van een select aantal mensen die hun afstamming delen met de regio waar de auteur is geboren.kinderen-van-de-beeldenstorm

Achtereenvolgens passeren de revue:
1. Charles de l’Escluse, onder plantkundigen beter bekend als Clusius en grondlegger van de academische Hortus Botanicus in Leiden. Hij was een tot het calvinisme bekeerde uit Atrecht.
2. Pieter l ‘Oyseleur de Villiers, geboren in Rijsel (Lille), calvinist en jurist die het schopte tot woordvoerder van Willem van Oranje.
3. Pieter Dathen uit Kassel (Cassel), calvinistisch predikant, vooral bekend om zijn Dietse vertaling uit 1566 van de Geneefse, Franstalige bundel berijmde Psalmen uit 1540 van Théodore De Bèze (theloog) en Clément Marot (componist). En ook om nog veel andere vertalingen van geschriften die voor de Nederlandse Calvinisten belangrijk zouden worden.
4 en 5. Adriaan de Berghes [Winoksbergen / Bergues], heer van Olhain, en Ghislain de Fiennes, heer van Lumbres. Twee calvinistische edelen, meer bekend als Dolhain en Lumbres, die zonder enige ervaring in reilen en zeilen als admiralen de armzalige geuzenvloot van Willem van Oranje bestierden. Zó dat die vloot roemloos ten onder ging.
6. Antonius Fabri (Anton Temmerman) uit Duinkerken/Dunkerque, een vreemde eend in het rijtje van ’s auteurs tien, want een dominicaans priester. Één die weliswaar bekend is geraakt om zijn nog altijd twijfelachtige ‘medeplichtigheid’ aan de eerste poging tot moord op Willem van Oranje in 1582.
7. Pieter Platevoet, onder geografen en sterrenkundigen beter bekend als Petrus Plancius. Een calvinist uit Dranouter, predikant in Amsterdam geworden maar vooral wereldberoemd cartograaf voor de Verenigde Oost-indische en de West-Indische Compagnie, mathematicus, astronoom en theoretiisch zeevaartkundige.
8. Gautier Herlin uit Valencijn (Valenciennes), een schrikwekkende watergeus, van oren en neus gekapt door de Spanjaarden die -vervuld van wraak wegens moord op zijn familieleden en verminking van zijn hoofd- Oranje hielp aan eindelijk zijn eerste overwinning in de Noordelijke Nederlanden: de inname van Brielle in het moeras aan de uitloop van Maas en Rijn
9. Cathelyntje Trigault uit Priches, calviniste en één van de eerste Nederlandse kolonisten op het Noord-Amerikaanse continent, waar zij op last van de VOC volk moest baren in de nieuwbakken handelspost Nieuw Amsterdam, nu New York.
10. Marie de la Quillerie, calviniste met voorouders uit het Leiedal, gehuwd met Jan van Riebeeck, kolonisator van Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika) in opdracht van de VOC.

In het nawoord schrijft de auteur dat hij met deze tien slechts een kleine greep heeft genomen uit de grote verzameling 16de en 17de eeuwse personen met wie hij zijn Zuid-Vlaamse geboortegrond deelt.
En dit is dan ook het belang van dit boekje: de persoonlijke interesse van de auteur. Voor de rest hangt het select gezelschap min of meer los rond de beeldenstorm. Zo hebben de laatste twee, beide dames onder acht heren, in het geheel geen verband met de gebeurtenissen uit ‘het wonderjaar’ in de Spaanse Nederlanden. Cathelyntje werd geboren in 1602, Marie in 1629.

Over de beeldenstorm zelf leert de lezer niets, behalve een oordeel dat een serieus historicus niet past te vellen: de één op één vergelijking met de beeldenbrekerij van IS en aanverwante extreem fundamentalistische en gewelddaige islamieten. Zou iemand die vergelijking tóch willen maken, dan zal men moeten concluderen dat de calvinisten, onder wie beeldenbrekers, mitsgaders de edelen die zich tooiden met de geuzennaam, precies het tegenovergestelde beoogden: vrijheid van godsdienst en geweten, in plaats van godsdienstónvrijheid en knechting van het persoonlijk geweten.

Ook de stelling dat monotheïsme ‘per definitie’ in tegenspraak is met de acceptatie van een ander geloof (p. 125), getuigt van een persoonlijke en ongefundeerde mening, die bovendien niet thuis hoort in een historiografisch werk. Bijzonder ergerlijk in dit verband is voor een serieus historicus de predicaten ‘fundamentalist’ en ‘extremist’ toegevoegd te zien aan bepaalde personen uit de roerige eeuwen in de geschiedenis der Nederlanden.
En om beeldenstormers een ‘woeste bende’ te noemen, getuigt ook al niet echt van historiografische kunde. Maar eerder van een gemankeerd, anti-protestants geschiedenisonderwijs in de sinds Alva en Farnese fors gerekatholiseerde zuidelijke Nederlanden ná het ‘wonderjaar’ 1566.

Samen met het gebruik van hetzerige woorden als ‘wervelwind’ (p. 11) in plaats van het toch al twijfelachtige ‘storm’, en het totale gebrek aan noten om bronnen van beweringen transparant te maken en te verwijzen naar archivalische bronnen, doet dit boekje hierdoor eerder denken aan een wat ‘over de schreve’ gelopen column van een journalist, dan aan een serieus historisch werk. En dat is jammer, want daarmee doet de auteur zichzelf tekort. Én zijn publiek.
Maar serieus historisch werk te leveren was ook niet de bedoeling van de auteur. Hij put uit secundaire bronnen, zoals journalisten eenmaal gewoon zijn. Van geen enkele journalist wordt gevraagd zich serieus te verdiepen in historische vragen.

Dit werkje beveel ik dus aan aan iedereen die van verleden en komaf wil weten, en van geschiedenis wijzer wil worden. Wat mij betreft geen journalistieke opstapjes genoeg op die ladder!