Kritiek op de kritiek – De Beeldenstorm

Auteur: Guido Vandermarliere


(deze bespreking is een reactie op de eerder geplaatste recensie van het boek ‘Kinderen van de Beeldenstorm’ van Wido Bourel)


De herdenking van 450 jaar ‘Beeldenstorm’ in deze streek, begint vruchten af te werken. In het huis van het slagveld van de Peene te Noordpeene, loopt sedert enkele weken een kleine tentoonstelling hierover en de eerste publicaties verschijnen hierover. We zullen in de eerstvolgende nummers van ‘Doos Gazette’ hieraan ook aandacht besteden.kinderen-van-de-beeldenstorm

Op 23 april 2016 had ik het genoegen om met Wido Bourel rond het slagveld van de Peene te wandelen. Toen ik vertrok had ik zijn boekje ‘Kinderen van de Beeldenstorm’ met als ondertitel is ‘Tien bekende, beruchte of vergeten Zuid-Nederlanders in de geuzentijd’ bij mij, wat ik met veel plezier ondertussen gelezen heb. Het boekje begint met een accurate samenvatting van de beeldenstorm en dat op 5 bladzijden – je moet het maar doen – en eindigt met een nawoord van weer 5 bladzijden.

Groot was mijn verbazing toen ik op de webstek ‘Beeldenstorm – 450 jaar’ http://www.beeldenstorm450.eu onder de rubriek ‘recensies’, na een samenvattende weergave van de inhoud, het volgende epistel vond, getekend d’Ypres Debrouckelaere. Vooraan vind je de naam Luther, (dit is de naam van de webmaster: LZ) dus het is mij niet echt duidelijk wie van hen twee, deze kritiek eigenlijk geschreven heeft.

Deze man schrijft in eerste instantie het volgende:

Over de beeldenstorm zelf leert de lezer niets, behalve een oordeel dat een serieus historicus niet past te vellen: de één op één vergelijking met de beeldenbrekerij van IS en aanverwante extreem fundamentalistische en gewelddadige islamieten. Zou iemand die vergelijking tóch willen maken, dan zal men moeten concluderen dat de calvinisten, onder wie beeldenbrekers, mitsgaders de edelen die zich tooiden met de geuzennaam, precies het tegenovergestelde beoogden: vrijheid van godsdienst en geweten, in plaats van godsdienstónvrijheid en knechting van het persoonlijk geweten.

Twee serieuze volzinnen waaruit we eerst leren dat Wido een vergelijking maakt met het huidig terrorisme van IS. Hij spendeert daar in zijn inleiding twee zinnen aan en in zijn nawoord één zin.
Mag Wido deze vergelijking maken? Zeker dat mag hij. De methoden van de geradicaliseerde Islamieten van IS zijn immers gelijklopend als deze die sommige protestanten indertijd gebruikten.
We moeten eerst constateren dat de bemiddelde Calvinisten – die reeds sedert 1555 in verschillende bestuursorganen van de steden en casselrien zitten, er mede voor zorgen dat de Lutheranen en zeker de Anabaptisten ‘verdwijnen’. Vanaf 1555 mogen we stellen dat we de protestanten gelijk mogen stellen met de Calvinisten.

We zien dan dat zij de spot drijven met alles wat van de katholieke kerk is. De paus wordt niet alleen de ‘antichrist’ of de duivel genoemd, maar ook de Heilige Mis, de hosties en alle kerkelijke dogma’s worden belachelijk gemaakt. We kunnen niet anders constateren dat ook IS deze methode gebruikt en dat zij op deze basis zich het recht toe eigenen om ‘beeldenstorm’ te houden. Net zoals IS zich baseert op een eeuwenoud boek, deden de Calvinisten dit ook, waarbij heel wat verzen letterlijk genomen werden. Net zoals IS zich ‘moreel’ met hun ‘goddelijke wet’ zich boven de burgerlijke wet stelt, deden de radicale Calvinisten dit ook.

Vooral de geradicaliseerde Matte trok met zijn gewapende garde van plaats tot plaats om aldaar de kerken te ‘zuiveren’ – net zoals IS dit ook gedaan heeft in Syrië en in Irak. Later trok de gewapende of ‘wilde bende’ van Camerlinck ook rond en verrichtte verschillende moorden op priesters, burgers en soldaten. Of hun motivatie hiertoe ‘religieus’ was? Volgens hun eigen verklaringen wel. Moorden die begaan worden in naam van een ‘superieure’ godsdienst, dat horen we dus ook bij IS.

Ook in de tijd van Margaretha van Parma en Egmond waren er de Calvinisten, zowel van Ieper als van Poperinge, zo slim om meteen afstand te nemen van deze radicale ’fundamentalisten’ of mogen we deze moordenaars zo niet noemen?

Klopt het verder dat

‘men zal moeten concluderen dat de calvinisten, onder wie beeldenbrekers, mitsgaders de edelen die zich tooiden met de geuzennaam, precies het tegenovergestelde beoogden: vrijheid van godsdienst en geweten, in plaats van godsdienstónvrijheid en knechting van het persoonlijk geweten.

Een tamelijk moeilijk te begrijpen zin, lijkt mij dit. Pieter Daten die hier zowat de leiding had in de weken na de beeldenstorm, werd alleszins later bekend voor zijn fanatieke lijn. Hij wilde het Calvinisme overal doorvoeren. Als we het hem zouden gevraagd hebben, had hij ons zeker geantwoord dat alle katholieke kerken vervangen dienden te worden door Calvinistische gemeenten en dan nog liefst ‘hard in de leer’. Dat hij dit ‘vrijheid van godsdienst en geweten’ zou noemen, verbaasd me niet.
Matte, met zijn gewapende bende, werkte alleszins systematisch en trok van kerk naar kerk om deze te ‘zuiveren’ – hij ook was blijkbaar niet bereid om een ‘vrijheid van godsdienst’ voor de katholieken te garanderen.

Ik verwijs graag naar mijn boek ‘benauwde tijden waarin ik de enqueste opgenomen heb die op 25 september 1566 uitgevoerd wordt door bestuur van de kasselrij van Sint-Winnoksbergen om de activiteitsgraad van de plaatselijke ‘sectarissen’ te meten.

Daaruit blijkt dat de Calvinisten eigenlijk niet meer dan enkele procent van de gemeenschap uitmaakten, maar dat men hen natuurlijk wel bij de preken allemaal opriep om te komen luisteren.
Kortom het georganiseerde machtsvertoon maskeerde het feit dat het Calvinisme allesbehalve een massabeweging was, maar een poging van een relatief kleine groep om hun macht op te leggen.

Ik had bij het lezen de indruk dat Wido weloverwogen de vergelijking met IS maakte in zijn inleiding om in zijn nawoord te concluderen:

De actualiteit van de laatste maanden – verwoestingen van beelden, gruwelijkheden en afhakken van hoofden incluis – herinnert er ons aan, dat elke vorm van monotheïstische godsdienst, of het nu gaat om zijn radicale, respectievelijk meer tolerante toepassing, de kiem in zich draagt van een nietsontziend fanatisme dat wij in alle tijden, waakzaam en met alle macht dienen aan te klagen en te bestrijden.

Onze criticus d’Ypres Debrouckelaere stelt verder:

Ook de stelling dat monotheïsme ‘per definitie’ in tegenspraak is met de acceptatie van een ander geloof (p. 125), getuigt van een persoonlijke en ongefundeerde mening, die bovendien niet thuis hoort in een historiografisch werk. Bijzonder ergerlijk in dit verband is voor een serieus historicus de predicaten ‘fundamentalist’ en ‘extremist’ toegevoegd te zien aan bepaalde personen uit de roerige eeuwen in de geschiedenis der Nederlanden.

Waarom het ‘ergerlijk’ zou zijn om bijvoorbeeld Pieter Daten of Sebastiaan Matte ’fundamentalist’ of ‘extremist’ te noemen, weet ik eerlijk gezegd niet. Het waren fundamentalistische extremisten.
Verder mogen we blijkbaar ook de beeldenstormers geen ‘woeste bende’ noemen, want dit getuigt ook al niet echt van historiografische kunde. Hoe moet je die gewapende bende of garde van Matte dan wel noemen? Een studentengroepering?
Dat dit laatste een bewijs zou zijn van ‘eerder een gemankeerd, anti-protestants geschiedenisonderwijs in de sinds Alva en Farnese fors gerekatholiseerde zuidelijke Nederlanden ná het ‘wonderjaar’ 1566’ lijkt mij wel heel kort door de bocht. Ten andere, waarom zou 1566 een ‘wonderjaar’ zijn? Voor onze streek was het het begin van een nog grotere ramp – de destructie van de ganse streek door verschillende legers – met als gevolg dat de bevolking voor ¾ de streek ontvluchtte.

Verder schrijft onze criticus het volgende:

Samen met het gebruik van hetzerige woorden als ‘wervelwind’ (p. 11) in plaats van het toch al twijfelachtige ‘storm’, en het totale gebrek aan noten om bronnen van beweringen transparant te maken en te verwijzen naar archivalische bronnen, doet dit boekje hierdoor eerder denken aan een wat ‘over de schreve’ gelopen column van een journalist, dan aan een serieus historisch werk.

Dit is natuurlijk een volzin die scheef in elkaar zit. Volgens onze criticus zou het woord ‘wervelwind’ ‘hetzerig’ zijn. Ik weet eerlijk gezegd niet wat hij hiermee bedoeld. Mijn conclusie is immers duidelijk, de beeldenstorm die onder Matte uitgevoerd werd, was een terroristische en heiligschendende daad. Dat vergelijken met een ‘wervelwind’ is nog zo mis niet, misschien kon Wido deze daad eerder vergeleken hebben met een ‘orkaan’.

Dat Wido uit ‘secundaire’ bronnen put, zullen we hem zeker niet kwalijk nemen als we zijn lijst van geraadpleegde werken bekijken.

Onze criticus d’Ypres Debrouckelaere schrijft verder:

Maar serieus historisch werk te leveren was ook niet de bedoeling van de auteur. Hij put uit secundaire bronnen, zoals journalisten eenmaal gewoon zijn. Van geen enkele journalist wordt gevraagd zich serieus te verdiepen in historische vragen.

Iedereen die Wido kent zal nu in een enorme lach uitbarsten. Wido houdt zich immers al jarenlang met de geschiedenis van de Franse Nederlanden bezig. Hij heeft ettelijke artikels geschreven over zijn streek en hoewel hij er niet meer woont, houdt hij er zijn vinger aan de pols. Als er iemand is die de geschiedenis van zijn streek wel kent, dan is het juist Wido.

Verder sluit ik mij aan bij de laatste alinea van onze criticus:

Dit werkje beveel ik dus aan aan iedereen die van verleden en komaf wil weten, en van geschiedenis wijzer wil worden. Wat mij betreft zijn geen journalistieke opstapjes genoeg op die ladder!